Aleksi Malmberg: Kunst biedt alternatieven
  • Aleksin blogikuva 02.2016 828x555px
5 februari 2016

Photo © Wikipedia

Jussi Koitela’s blogartikel “Laat kunstinstellingen alternatieven bieden voor nationalisme” (15 januari 2016) is exact het soort meerstemmige en scherpe discussie over de huidige en toekomstige rol van de kunst en de culturele sector dat wij in deze tijd nodig hebben. Omdat Koitela’s betoog ook de werkzaamheden van het Instituut betreft, die ten prooi zouden kunnen vallen aan nationale promotiedoeleinden en andere aspiraties, acht ik het van belang te reageren op enkele ter sprake gebrachte punten.

In zijn artikel overpeinst Koitela de taak van kunstinstellingen en curatoren, en noemt vervolgens mogelijke alternatieve discussiekaders voor het nationalisme en het neoliberalisme, die een aanzienlijk deel van het maatschappelijke debat hebben opgeëist. In mijn reactie wil ik vooral dieper ingaan op de rol van kunstinstellingen als weergevers en bouwers van succesverhalen, en dan in de eerste plaats op Koitela’s opvatting dat bijvoorbeeld het programma voor beeldende kunst van het Fins Cultureel Instituut voor de Benelux als doel zou hebben “het verkrijgen van succesverhalen over Finse curatoren die ook buiten Finland actief zijn”. Koitela stelt dat het voor hem, werkzaam in het kunstenveld, pijnlijk is om afhankelijk te zijn van een staat en van nationalistische structuren, en hij roept op tot alternatieven.

Hoewel bijvoorbeeld ook het spook van de verlichting nog altijd op de loer ligt, is het verleidelijk zich aan te sluiten bij de opvatting dat nationalistische en liberale ideologieën een sterke positie innemen in het maatschappelijke debat. Koitela’s kritiek geeft echter wel aanleiding tot een paar vragen. Wat betekent het als nationaliteit voelt als een dwangbuis die eventuele andere identiteiten beknot? Uit wiens uitgangspunten komt de eerder genoemde noodzaak van succes voort? Hebben kunst en degenen werkzaam in de kunst tot dusver niet reeds alternatieve werkelijkheden en discussiekaders geschapen?
De staat, waarin nationaliteit volgens Benedict Anderson het product is van verbeelding, is een centraal model, waarnaar de samenleving en de democratie worden vormgegeven. Dat gebeurt onafhankelijk van bijvoorbeeld het groeiende belang van steden enerzijds en sterker wordende internationale structuren anderzijds. Staten zijn een stabiele schaal en een gevestigd middel om sociale verantwoordelijkheid, macht en resources wereldwijd te delen. Daarbij bouwt een staat vanzelfsprekend ook aan de identiteit van de gemeenschap, leeft van de verhalen die daaruit voortvloeien en schrijft nieuwe.

Zonder dieper in te gaan op dwarsverbanden met het fascisme of de verschillende vormen van nationalisme, wil ik vragen: zou het mogelijk zijn om, in plaats van het nationalisme te bestrijden, de betekenis ervan aan te passen aan onze tijd? In plaats van een über-ideologie zonder ruimte voor alternatieven, lijkt het mij natuurlijker om nationaliteit te zien als een indicator, een element in het complexe geheel van bouwstenen waaruit een identiteit bestaat. Nationaliteit is door de globale indeling van samenlevingen een gefundeerde en gebruikelijke manier om ook het kunstenveld in te delen, maar vaak is het lang niet de belangrijkste betekenisgevende factor.
Nationaliteit als uitgangspunt voor een werk of een discussie over kunst wordt al langer beschouwd als gedateerd. Er bestaan meerdere andere uitgangspunten, en wat kunstwerken betreft zijn er altijd alternatieve kaders aangedragen. Zelfs de door Koitela aangehaalde relatie tussen natuur en cultuur is al sinds de vroegste grotschilderingen een centraal vraagstuk. Het postmodernisme en feminisme zijn wegbereiders geweest voor een scala aan andere paradigma’s die werkelijkheid en machtsstructuren kritisch doorlichten.

Naast het bouwen van nationale succesverhalen is een ander heersend fenomeen van onze tijd het afbreken van grootse verhalen – een explosieve groei van nieuwe betekenissen en alternatieve werkelijkheden, die in feite het belang van het werk van een curator onderstreept. De versnippering en uitbreiding vinden ook horizontaal plaats: het postmodernistische fervente streven naar steeds hogere metaniveaus is een fenomeen dat hand in hand gaat met de groeiende abstractie binnen technologie en samenleving die Jussi Koitela ter sprake brengt.

Die ontwikkeling wordt weerspiegeld door het werkmodel van onder andere Checkpoint Helsinki. Dat is te beschouwen als structuur met het doel degenen te benoemen die de curatoren kiezen die beslissen wie de kunstenaars zijn die in Helsinki werken in opdracht van de instelling. Dat moet niet worden opgevat als kritiek op het werkmodel, integendeel, maar het is van belang te begrijpen dat het tijd kost voor concrete resultaten zichtbaar worden en dat het voor een financier van buiten het kunstveld moeilijk kan zijn zich een beeld te vormen van de werking.

Een belangrijke taak van kunstorganisaties is dan ook die van bemiddelaar tussen kunstenaar en financier, bijvoorbeeld de samenleving: aan beide zijden in gesprek gaan in de taal van de respectieve gesprekspartner en de onafhankelijke werkomstandigheden van de kunstenaar waarborgen door zichzelf tussen beide partijen in te plaatsen. Structuren worden gecreëerd en veranderd door mensen, maar organisaties kunnen het speelveld afbakenen en als basis voor dialoog dienen. Ook het Fins Cultureel Instituut voor de Benelux streeft er als zelfstandige non-profitorganisatie naar de dialoog rond kunst en cultuur tussen Finland en de Benelux te bevorderen. De bedoeling van een residentie is een kunstenaar te helpen en te steunen in zijn of haar werk, zonder de voorwaarde van succes.
Wat is dan de rol van kunst in de nationale staat? De trias politica van Montesquieu, die gezien de huidige politieke situatie in Polen weer uiterst actueel is, laat geen ruimte voor kunst. De waakhond van de macht – of, om de vergelijking voort te zetten: misschien wel de eigenwijze kat in het kaartenhuis van de macht, die zich uiteraard graag laat aaien, maar desondanks een dier met een eigen wil blijft dat de hand die het voedt ook kan krabben.
Laat duidelijk zijn dat kunst, maar ook wetenschap en beschaving, er niet zijn om de concurrentiepositie van de staat te versterken. Wanneer ze op eigen voorwaarden en menselijke basis opereren brengen ze veel goeds voort, en de invloed daarvan zal ook de markteconomie bereiken. De economie op haar beurt modelleert in veel opzichten de menselijke realiteit. Als kunstinstellingen hun financieringsbehoeften baseren op deze wisselwerking, wordt dat vaak, en mijns inziens verkeerd, geïnterpreteerd als de kunstenaar en de kunstwereld die zich voor het karretje van de concurrentiestaat laten spannen.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Aleksi Malmberg

Deze blog post is geschreven door Aleksi Malmberg, directeur van het Fins Cultureel Instituut voor de Benelux.

© Pirita Männikkö

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.