Chris Keulemans: Pionnen en wisselgeld – Hoe de Syriërs en hun huizen van hun waarde beroofd werden
  • Tuotantokuva_MH_Syyria_web
13 augustus 2017

‘Buitenlandse geldschieters nemen niet alleen de mechanismes die tot vrede kunnen leiden weg,’ schreef Max Fisher op 26 augustus 2016 in de New York Times, ‘ze installeren zelfversterkende mechanismes die leiden tot een steeds uitzichtlozere patstelling. Telkens als één partij terrein verliest, vergroten de buitenlandse sponsors van die partij hun betrokkenheid door nieuwe strijdkrachten of luchtsteun te sturen en zo te voorkomen dat de door hen gesteunde partij verslagen wordt. Zodra die kant weer aan de winnende hand is, vergroten de buitenlandse sponsors van de tegenpartij prompt hun inzet. Elke escalatie is iets heviger dan de vorige, zodat het aantal slachtoffers in rap tempo toeneemt zonder dat het oorspronkelijke evenwicht van de oorlog wezenlijk verandert. Dit is al vrijwel sinds het begin het verhaal van de oorlog in Syrië. Eind 2012, toen het Syrische leger een reeks nederlagen leed, schoot Iran te hulp. Begin 2013 waren de regeringstroepen weer in opmars, waarop rijke Golfstaten de rebellen steun verleenden. Een paar rondes verder hebben ook de Verenigde Staten en Rusland zich in de strijd gemengd.’

‘Omdat de strijdende partijen in Syrië eerder afhankelijk zijn van buitenlandse steun dan van de plaatselijke bevolking, is de drijfveer om burgers te beschermen klein,’ vervolgde Fisher. Deze oorlog draait om het veroveren van terrein, niet om het verdedigen van de mensen die er leven. Burgers zijn niet meer dan pionnen op het speelveld, die geregeld te lijden hebben onder geweld, uitbuiting, hongersnood en verdrijving. Hun thuis, in de dichtbevolkte buitenwijken van Damascus, de puinhopen van Homs, de twee helften van Aleppo, het platteland van Hasakah of de kampen in Bab al-Salama aan de Turkse grens en Zaatari in Jordanië, waar ooit familiegeschiedenissen ontstonden, is gedegradeerd tot tijdelijke schuilplaats die elk moment kan worden verwoest en geëvacueerd.

Volgens de laatste statistieken van de UNHCR zijn 5 miljoen mensen – van de oorspronkelijke Syrische bevolking van 23 miljoen – gevlucht naar Libanon, Turkije, Irak, Jordanië en andere landen. Op dit moment zijn binnen Syrië 6,3 miljoen mensen op drift, en leven 4,7 miljoen Syriërs in moeilijk bereikbare en belegerde gebieden. Als dan nog de 400.000 doden van zes jaar oorlog worden meegeteld, rest de gruwelijke conclusie dat nog slechts één op de vier Syriërs op dezelfde plaats woont als in 2011.

Hier volgt een korte, subjectieve beschrijving van de krachten die deze catastrofe hebben veroorzaakt.

Assad

De hoofdrolspeler is een ultieme overlevingskunstenaar. Anne Barnard beschreef president Bashar al-Assad in de New York Times van 22 maart 2016 als ‘een expert in het tegen elkaar uitspelen van bondgenoten: meer dan eens weigert hij compromissen, zelfs als hij er slecht voor staat, en als hij zich gedwongen ziet een deal te sluiten, vertraagt en compliceert hij het proces om tijd te winnen tot zijn situatie verbetert.’ Voor de bevolking onder zijn hoede is hij een cynische moordenaar. Zijn repertoire: chemische wapens, vatbommen op dichtbevolkte stedelijke gebieden, enorme gevangenissen voorzien van martelkamers, massaexecuties en het verdrijven van burgers naar geïsoleerde gebieden waar ze onder controle kunnen worden gehouden. Een recent voorbeeld: na de verovering van Oost-Aleppo in december 2016 werden de achtergebleven bewoners naar de randen van Idlib getransporteerd, waar ze zich voegden bij duizenden anderen, die daar al onder dwang naartoe waren gebracht vanuit de buitenwijken van Damascus en andere gebieden heroverd door het regime en zijn bondgenoten. Opeengepakt vormden deze burgers een gemakkelijk doelwit voor de aanval met het zenuwgas sarin die op 5 april aan 70 mannen, vrouwen en kinderen het leven kostte.

Assad kan het zich niet veroorloven de macht uit handen te geven: dan zou zijn persoonlijk lot bezegeld zijn en zouden zijn gezin en zijn handlangers hun macht en privileges kwijtraken. Aangezien hijzelf en de meeste ambtenaren in zijn genadeloze staatsapparaat, inclusief het leger en de veiligheidstroepen, behoren tot de alawitische minderheid, vrezen ze mogelijk genocidale vergeldingsacties zodra de president zou worden afgezet. Om de overleving van het regime veilig te stellen hebben de Assads sterke banden aangeknoopt met sjiitische bondgenoten, in het bijzonder met Iran en Hezbollah. De regering in Teheran steunt Assad met wapens, brandstof, inlichtingen en duizenden strijdkrachten, waaronder in Iran levende Afghaanse rekruten, die naar het front worden gestuurd. Iran gebruikt Syrië al decennialang als handelszone voor het transport van geld, wapens en soldaten. Zo versterkt het de eigen aanwezigheid in de regio en steunt het Hezbollah, een van Israëls grootste vijanden. In ruil daarvoor vechten Hezbollah-strijders niet meer alleen binnen de Libanese landsgrenzen, maar ook in Syrische steden als Qusayr.

Daar streden ze van huis tot huis, leden ze grote verliezen en speelden ze een beslissende rol bij het verslaan van radicale soennitische troepen. Bij zulke operaties veranderen huizen onmiddellijk in objecten van militair belang, niets meer en niets minder: huizen worden fort, schuilplaats, medische post en sluipweg om te ontkomen aan scherpschutters. De mensen die er wonen zijn gevangen in het huis waar ze werden geboren, hun eerste woordjes spraken, verliefd werden en rouwden om het verlies van naasten. Plotseling zijn de bewoners niets meer dan een potentiële bedreiging voor de militaire operatie, en worden ze als zodanig behandeld. Volgens de cynische logica van president Assad en de fundamentalistische gewapende rebellen hoeven mensen die geen strategische waarde hebben niet als mens te worden beschouwd.

Daesh

Slechts weinig verhalen bereiken ons over het dagelijks leven in het afbrokkelende kalifaat van Islamitische Staat, of Daesh in het Arabisch. Het vergt uitzonderlijk veel moed en geluk om deze verhalen de buitenwereld in te krijgen, en wat we in plaats daarvan veelal te zien krijgen zijn de zorgvuldig geënsceneerde propagandabeelden van het leger met de zwarte vlag zelf. Dat is illustratief voor de strategie van Daesh: volledige beheersing van de publieke ruimte, in zowel fysiek als digitaal opzicht.

Op vredige momenten brengen Syriërs hun sociale leven vooral door in de publieke ruimte: in de soek, op straat, op de platte daken tijdens warme zomeravonden. Maar vredige momenten zijn zeldzaam, en zoals architect Muhamed al-Mufti uit Damascus al schreef, is de publieke ruimte in Syrië van oudsher een arena voor uitingen van macht en propaganda: de geheime dienst van het regime heeft overal op straat ogen en oren. Dat is nu niet anders: de demonstraties tijdens de revolutie van 2011 vonden plaats op stadspleinen, tot Assad deze met geweld heroverde door met scherp op de protestanten te laten schieten. Monumenten, moskeeën, heilige plaatsen en markten zijn favoriete doelwitten van om het even welke groep bij het veroveren van een stad, en als de veroveraars weer vertrekken, zorgen ze er meestal voor dat eerst de iconen van het stadsgezicht worden verwoest. Een ander tragisch voorbeeld daarvan is de vernietiging van de al-Nuri-moskee in Mosoel vlak voor Daesh de stad uit handen moest geven.

Het wordt nog duisterder wanneer moet worden aangenomen dat Daesh en Assad voortdurend handjeklap spelen. Uit steeds meer documenten die het land uit gesmokkeld worden blijkt dat de president Daesh bewust liet groeien, om vervolgens de verdorvenheid van Daesh te gebruiken om meer buitenlandse steun te krijgen. Regeringstroepen trokken zich terug uit plaatsen die Daesh vervolgens binnenviel met het doel ze te verwoesten – waarvan Palmyra het beruchtste voorbeeld is –, waarna de regeringstroepen de macht weer overnamen zodra het historisch erfgoed in puin lag. Deze macabere tango heeft geleid tot enkele van de grootste verwoestingen in de reeks gewelddadige vergeldingsacties sinds de Syrische revolutie in 2011.

In januari 2014 werd Raqqa veroverd door Daesh, dat de stad uitriep tot hoofdstad van het kalifaat. Twee jaar later lukte het een lid van de plaatselijke activistenbeweging Al-Sharqiya 24 het dagelijks leven onder de zwarte vlag te beschrijven voor BBC Today. ‘Het is vrijdag, de dag waarop we normaal gesproken op straat bijeenkwamen voor een praatje. Maar nu niet meer. Iedereen die zonder toestemming in het openbaar samenkomt loopt nu het risico te worden beschuldigd van samenzwering tegen Daesh.’ Zijn dagboek is een relaas van terreur en onderdrukking. Verdachten van spionage worden voor het huis van hun familie gekruisigd, na eerst te zijn onthoofd. Vrouwen en meisjes blijven binnen uit angst te worden weggevoerd als seksslavinnen voor de strijders. Internet, mobiele telefonie en televisie zijn aan banden gelegd of verboden. Elementaire levensmiddelen zijn onbetaalbaar geworden, want de import ervan via het regime en de checkpoints van Daesh rond de stad kost meer dan ze ooit kunnen opbrengen. Winkeliers zuchten onder maffia-achtige ‘belastingen’, opgelegd door de politie van Daesh. Zelfs de voorzieningen die Daesh biedt, zoals gezondheidszorg, bijstand en brandstof, worden aangewend om de bevolking onder voortdurend toezicht te houden. En wanneer de steden van het kalifaat worden aangevallen, zoals eerst in Mosoel en later in Raqqa gebeurde, worden burgers gedwongen thuis te blijven om te dienen als menselijk schild tegen tanks en bommenwerpers.

Daesh is niet de enige partij die deze wrede strategie toepast. Sinds Saudi-Arabië, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en Turkije zich in de strijd hebben gemengd door jihadistische troepen financieel en anderszins te steunen, is de opstand veranderd in een jihadistische onderneming. Andere islamistische groepen, zoals Jabhat Fath al-Sham, Jaysh al-Islam en Ahrar al-Sham, hebben deze tactiek van stadsvernietiging inmiddels overgenomen.

Turkije

President Recep Erdogan heeft het verdienen aan grote groepen ontheemden tot kunst verheven. Volgens Al-Monitor leven in Turkije op dit moment ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen: 260.000 in kampen opgezet door de staat, de rest verspreid door het land. En voorlopig gaan deze vluchtelingen nergens heen. Een kleine minderheid heeft het risico genomen terug te keren naar huis, wat niet alleen onveilig is, maar ook duur: Turkse grenswachten vragen geregeld smeergeld, waarvan de hoogte wordt vastgesteld door de Turkse bendeleiders aan wie ze gehoorzamen. Naar Europa reizen is ondenkbaar, want de deal tussen de EU en Turkije van maart 2016 heeft de veilige doortocht van vluchtelingen niet gereguleerd, maar onmogelijk gemaakt. Hoewel de ontvangst door de Turkse bevolking in het algemeen niet onvriendelijk is geweest, houdt Erdogan in feite 3 miljoen mensen gegijzeld. Dat verschaft hem een pressiemiddel bij onderhandelingen met de EU, die 6 miljard euro hebben toegezegd om de vluchtelingen te huisvesten. Het geeft hem ook de vrijheid de grens met Syrië naar believen te openen en sluiten.

Erdogan, Assad en Putin spelen al enkele jaren een schimmig machtsspel, waarbij ze om de paar maanden van bondgenoot en vijand wisselen. Tussen 2014 en 2016 stond de route tussen Turkije en Syrië bekend als de ‘jihadistensnelweg’: wapens, materieel en strijders op weg naar territoria van Daesh vonden ongehinderd doorgang, en olie uit door het kalifaat bezette gebieden werd naar Turkije gesluisd. Het Democratisch Zelfbestuur van Rojava wist de hand te leggen op talloze paspoorten, visa, transportvergunningen voor kunstmest, explosieven en wapens en andere documenten, waarmee het aantoonde dat ‘het enige doel van de [Turkse regeringspartij] AKP het tegenhouden van elk democratisch initiatief voor de toekomst van Syrië is. Om dat te bereiken werkt de AKP samen met Daesh door training te verzorgen, wapens beschikbaar te stellen en Daesh-strijders de Turkse grens te laten oversteken naar Syrië.’

Rojava, de autonome regio in het noorden van Syrië, is een levend experiment op het gebied van democratisch confederalisme. De regio wordt bestuurd door de Koerdische bevolking en bewoond door Arabieren, Assyriërs, Jezidi’s en andere bevolkingsgroepen. Rojava is Erdogans grootste nachtmerrie: terwijl hij de steden en dorpen van het voornamelijk door Koerden bevolkte zuidoosten van Turkije terroriseert, hebben de gewapende strijdkrachten van Rojava – YPG en de vrouwelijke vleugel YPJ – met steun van de Amerikaanse luchtmacht Daesh teruggedrongen. Hoewel Erdogan beducht is voor een Syrië onder heerschappij van Assad, zal hij onder geen beding akkoord gaan met Koerdische autonomie. Sinds november vorig jaar stuurt hij Turkse troepen de grens over om de opmars van YGP en YPJ te stuiten. Het spreekt voor zich dat elke stap die hij zet leidt tot een nieuwe stroom vluchtelingen op zoek naar veiligheid – het wisselgeld dat hij nodig heeft om zijn heerschappij te bedingen.

Aleppo

De oude stad die eeuwenlang het handelscentrum van de regio was, is nu het symbool van de Syrische tragedie. Maar Aleppo werd ook de handelsplaats voor meerdere oorlogvoerende partijen, die de stad bezet en geplunderd hebben. Toen de troepen van het door het regime bezette West-Aleppo en omgeving in december vorig jaar het oostelijke deel betraden, dat met bombardementen tot overgave was gedwongen, verklaarde YPG-commandant Polat Can in een vernietigende analyse hoe de versplinterde partijen in Oost-Aleppo de ondergang zelf hadden veroorzaakt.

‘Aleppo is verdeeld in twee districten, Oost- en West-Aleppo. Die tweedeling is niet alleen geografisch, maar ook cultureel. Oost-Aleppo is het thuis van de arme, gelovige soennieten, van Koerden van het platteland van Kobane en Afrin en van Turken. Het zijn voornamelijk arme arbeiders uit de bouw en textielindustrie. In West-Aleppo woont de middenklasse, de ambtenaren, de rijken en de grootgrondbezitters die niet geïnteresseerd zijn in politieke leuzen en eenvoudigweg verlangen naar stabiliteit om hun zaken te kunnen doen. (…) Zodra islamitische troepen Oost-Aleppo bezetten, plunderden ze alles van waarde om het voor een lage prijs te exporteren naar Turkije. Dat leidde tot de ondergang van de economie en het verlies van de werkgelegenheid die de bevolking in staat stelde het hoofd boven water te houden. (…) De gewapende oppositie was uiteengevallen in een groot aantal partijen, die onderling streden om het laatste wat er nog te plunderen was. Deze partijen vormden zich op basis van ideologische, politieke, geografische of religieuze achtergrond. (…) Toen deze extremistische islamitische partijen eenmaal Aleppo waren binnengedrongen en de gewapende oppositie onder controle hadden, hebben ze de bevolking en de andere partijen hun levenswijze kunnen opleggen. De machtsovername van Ahrar Al Sham en Al Nusra gaven het regime van Assad en de Russen de reden en legitimiteit om de stad te verwoesten en de inwoners te doden.’

Commandant Can en de YPG slaagden erin een aantal omliggende steden en dorpen te veroveren, bewoond door Koerden, christenen en andere minderheden. Aleppo zelf is nu ‘bevrijd’ en hopelijk op weg naar wederopbouw, inclusief de delen die door het regime zelf werden verwoest. Het risico bestaat dat die wederopbouw nu het onderwerp wordt van een nieuwe machtsstrijd tussen rijke buitenlandse geldschieters (Rusland, China, de Golfstaten) op zoek naar invloed. De overgebleven burgers zijn naar Idlib gevoerd, waar hun zoals gezegd een onzeker lot wacht. Velen van hen zullen misschien nooit kunnen terugkeren om hun huizen weer op te bouwen.

Droogte

Graan is het belangrijkste gewas van Syrië. Het beslaat ongeveer 60 procent van de landbouwgrond en voorziet in 40 procent van de calorische consumptie van Syrische huishoudens, aldus een beleidsnota van de Duke University uit maart 2016. Maar de oorlog heeft ook de Syrische landbouw grote schade toegebracht, en dat bovenop de reeds bestaande problemen veroorzaakt door de uitzonderlijke droogte en hoge temperaturen van de afgelopen zomers. In juni 2016 sprak Syria Direct met meerdere Syrische boeren uit het door de rebellen bezette oostelijke district Hama, en met een boer uit het noordoostelijke district Hasakah, de graanschuur van het land en in handen van de Koerden. Zij vertelden hoe het is om boer te zijn in een door oorlog geteisterd Syrië: gestegen productiekosten, een tekort aan hulpmiddelen, droogte en landbouwgrond verwoest door insecten en bommen.

‘Vanwege begrensde mogelijkheden en gebrek aan steun heeft het bestuur van Hama niet de financiële middelen om irrigatie te subsidiëren of boeren te voorzien van bestrijdingsmiddelen,’ zei raadslid Hallaq. Vorige maand kon het bestuur op enkele akkers in Hama sprinkhanen bestrijden, maar de meeste schade is al geschied. Wat de situatie nog erger maakt, zijn de ‘gevechten in de omgeving en de milities van het regime die landbouwgrond in brand steken,’ voegde Hallaq daar nog aan toe. Boer Abu Faisal sprak van ‘dagelijkse angst voor bombardementen, want we leven in een district dat grenst aan gebied in handen van het regime.’ Samen hebben deze factoren geleid tot één enkel resultaat, zegt Hallaq: ‘Een dunam land brengt nu nog maar een kwart van de gebruikelijke oogst op.’

Ook als ze niet op de vlucht zijn voor terreur en vatbommen, hebben duizenden Syriërs hun huizen en hun land moeten verlaten, de glooiende heuvels en gouden akkers waar ze generatieslang woonden en werkten. Het blijft vaak onderbelicht in alle chaos in Syrië, maar oorlog en klimaatverandering vormen een dodelijke combinatie, die mensen dwingt tot migratie zonder enige hoop elders als vluchteling te worden erkend.

Street View (Reassembled)

Tot dusver zijn in dit artikel nauwelijks de belangrijkste externe factoren aan bod gekomen die de oorlog gaande houden, door middel van militaire, economische en diplomatieke interventie en vaak getypeerd door de afwezigheid van gecoördineerd optreden. Elders is echter uitgebreid geschreven over de rol van de VS, Rusland, Saudi-Arabië, Qatar en de EU, waarmee deze partijen een plaats in de trieste galerij van dit drama hebben verworven.

Dit artikel geeft slechts enkele van vele voorbeelden van de minachting voor mensen en hun huizen die een kenmerk van de Syrische oorlog is geworden. In die zin is deze tekst een eerbetoon aan de buitengewone momentopname die de Finse kunstenaar Anssi Pulkkinen heeft gecreëerd: ditmaal is het geen gezin, maar een thuis dat een lange reis heeft afgelegd naar het hart van het welvarende Europa. De brokstukken van een thuis. Stenen, mortel, glas- en metaalstukken, die een gezin beschutten toen er nog geen enkele reden was om aan te nemen dat dit alles op een dag verwoest zou worden, in een oorlog die alles heeft genomen zonder er iets voor terug te geven.

 

 

 

 

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Chris Keulemans

Chris Keulemans (Tunis, 1960) groeide op in de Iraakse hoofdstad Bagdad en was tot september 2014 artistiek directeur van de Tolhuistuin in Amsterdam. In 1984 richtte hij de literaire boekhandel Perdu op in Amsterdam, en in de jaren negentig werkte hij eerst als curator en daarna als directeur bij De Balie, een Amsterdams centrum voor cultuur en politiek. Hij publiceerde zowel fictie- als non-fictieboeken en schreef een groot aantal artikels voor nationale kranten over kunst, sociale bewegingen, migratie, muziek, cinema en oorlog. Hij reisde intensief naar steden als Beiroet, Jakarta, Algiers, Pristina, Sarajevo, Tirana, New York, New Orleans en Ramallah, om getalenteerde kunstenaars te ontmoeten en te ontdekken hoe kunst er na een crisis uitziet. Voor zijn werk in Amsterdam ontving Keulemans de erespeld van de stad, en werd hij benoemd tot stadsdeel-chroniquer voor Amsterdam-Noord.

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on Twitter

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.